… stel dat het in het Christendom gaat om misschien maar één ding.
Niet om hoe vaak je naar de kerk gegaan bent in je leven.
Niet om hoeveel je in de Bijbel gelezen hebt.
Niet om hoe goed je je best hebt gedaan om alle regeltjes te volgen.
Niet om hoeveel mensen je genezen hebt tijdens je Christelijke wandel.
Niet om de aanbiddingsdienst in de kerk en of je tijdens het gebed erna je mond hebt opengedaan.
Niet om de denominatie waar je toe behoorde.
Niet om de vraag of je Bijbelschool gedaan hebt.
Niet om hoeveel overwinningen je geboekt hebt in je worsteling met je zonde.
Niet hoeveel demonen je uitgeworpen of zieken je genezen hebt.
En dat dat ene waar het om gaat is: hoe ben je met je medemensen omgegaan.
Hoe heb je over ze gesproken en gedacht?
Hoeveel heb je voor ze gebeden en om hun behoudenis geweend?
Het filmpje hieronder laat een praktijk zien van de Christenen in de eerste eeuw waar je stil van wordt.
Het is in dit verband goed om te overdenken hoe het eraan toe zal gaan bij het laatste oordeel, wanneer alle mensen voor Gods troon verschijnen en de schapen van de bokken gescheiden worden.
Jezus spreekt hierover in Mattheüs 25:31-46, en je moet je dan afvragen wat bepaalde of men een schaap of een bok was.
Hoe denken Christenen over het algemeen over dat criterium dat bepaalt of Christus hen in de hemel toelaat? Je moet wederomgeboren zijn, Jezus aangenomen hebben, trouw zijn geweest in het bezoeken van en je inzetten in de kerk of gemeente, alle regeltjes gevolgd hebben.
Maar Jezus confronteert hier de twee groepen met de vraag: wat heb je aan de minste van Mijn broeders gedaan? Dat is het criterium: hoe ben je omgegaan met de mens in nood? Had iemand je hulp of troost of bijstand nodig? Was je er voor je naaste die in de verdrukking zat?
En let op: beide groepen zeggen dat ze niet wisten of gezien hadden dat hun naaste in de gevangenis zat, dat iemand honger of dorst had, dat iemand opgevangen moest worden, naakt was, enz., enz.
Dat de bokken dat niet gezien hadden, verbaast niet. Maar de schapen, de goeien het ook niet zagen, dat vinden we vreemd. Maar zij deden dat vanuit een bewogen hart. En let wel, ze zagen wel dat er een nood was, maar dat het Jezus’ nood was, DAT hebben ze niet gezien. En ze deden het belangeloos, niet om een loon of schouderklopje te krijgen.
Ze deden het uit liefde voor hun naaste.



